Title Image

Mijn persoonlijke verhaal over de staatsman

Mijn persoonlijke verhaal over de staatsman

Dit keer een verhaal over een ander soort bestuurder: een staatsman, een politicus, een historicus, een schrijver, een schilder, een metselaar zelfs. De ‘staatsman’ en ik gaan een hele tijd terug. Al heel lang fascineerde mij als historicus de vasthoudendheid van sir Winston Churchill (1874-1965) – als op dat moment volstrekte paria en outcast in de hoge adellijke elite van de Britse politiek in die tijd – bij de waarschuwingen tegen de opkomst van de Nazi’s in Duitsland vanaf, zeg 1930-32, en na de Machtübernahme in januari 1933.

Hoe vast overtuigd en volstrekt zeker over je idealen moet je zijn om dit jaren lang, en wellicht tegen beter weten in, toch voort te zetten. En uiteraard speelt daar zijn aristocratische komaf een rol in, vanzelfsprekend. Ik ben er alleen vast van overtuigd dat hij dat ook waarlijk als mens van vlees en bloed werkelijk zo ervaarde en bedoelde. Ik hoef alleen maar te verwijzen naar de eindeloos reeks boeken die hierover is geschreven door talloze historici als Martin Gilbert, Andrew Roberts, maar ook onze ‘eigen’ Geert Mak. En daarover gesproken: Churchill was zelf ook (en zeker voor zijn tijd) erg open over hemzelf. Hij geneerde zich nooit voor zijn emotionaliteit: de keren dat hij ‘en plein public’ in huilen uitbarstte bij het zien van films of bijwonen van concerten, zijn talrijk.

Zijn, vaak ook bewust gespeelde, dedain voor vrouwen liet hij regelmatig openlijk blijken. Denk aan de beroemde overgeleverde conversaties met de Britse conservatieve afgevaardigde voor het Lagerhuis, Lady Astor, die ooit in de loop van een nogal verhitte discussie tegen hem zei: “Winston, if you were my husband, I would poison your tea”. Waarop Churchill antwoordde: “madame, if I were your husband, I would drink it”. Of die andere keer dat zij tegen hem zei: “Winston, you are drunk”. Waarop hij antwoordde: “Madame, you’re quite right! I am drunk. But you are ugly. And in the morning I shall be sober, but you will still be ugly!”.

Maar afgezien daarvan, Churchill was in alle opzichten uiteraard ook een man van zijn tijd. Een bij tijden absolute brute bullebak die vreselijk kon uitvallen tegen personeel en secretaresses. De enige die hem daarop corrigeerde, en dat ook consequent deed, was zijn vrouw, Celmentine Hozier, met wie hij in 1908 trouwde en vijf kinderen kreeg. Hij maakte dan werkelijk volgens ingewijden oprecht excuus voor zijn gedrag en vaak groeide daaruit decennia lange dienstverbanden. Het is ook een bekend en veel beschreven fenomeen dat zijn vrouw Clementine een grote rol heeft gespeeld bij zijn premierschap in de Tweede Wereldoorlog; zij was alles behalve een ‘muurbloempje’, meer een ware navolgster van de suffragettes.

Daarnaast was hij ook een grootgebruiker van alcohol (Pol Roger champagne, Hine cognac, om maar ’s wat te noemen) en sigaren (grote Cubaanse sigaren, die nog steeds volgens zijn specificaties tot op de dag van vandaag worden gemaakt),. En die consumptie ging de hele dag door.

En ja, Churchill was zeker ook een man die overtuigd was van de suprematie van ‘The British Empire” en van de superioriteit van het blanke ras. Het was hem met de beruchte paplepel ingegoten tijdens zijn opleiding op de militaire academie van Sandhurst (omdat zijn schoolrapporten zo slecht waren dat hij voor Oxford of Cambridge niet in aanmerking kwam, waardoor hij ook altijd een buitenbeentje bleef binnen de Britse aristocratie en zakelijke elite). En hij ervaarde en beleefde dat in de praktijk tijdens zijn militaire inzet in India, Soedan en Zuid-Afrika (de Boerenoorlog) in de periode 1894-1902.

Een laatste voor mij toch wel onverwacht aspect is de creatieve kant van deze man. Hij was een uitstekend schrijver en stond bekend om zijn superieure beheersing van de Engelse taal, zowel in woord (zijn talloze, vooral tijden de Tweede Wereldoorlog beroemd geworden ‘speeches’) als in geschrift. Altijd krap bij kas verdiende hij heel zijn leven aanzienlijke sommen geld met het het schrijven van boeken en artikelen, bijna altijd over geschiedenis of over zijn familie. Iets dat hem in 1954 de Nobelprijs voor de literatuur opleverde.

Daarnaast was hij zeker geen onverdienstelijk kunstschilder, iets waarin hij ironisch genoeg zijn politieke aartsvijand dus al bij voorbaat versloeg. Als je al een schilderij van hem kunt bemachtigen: ze gaan tegenwoordig voor meerdere miljoenen euro’s van de hand; niet dat hij daar iets aan heeft kunnen doen overigens. En in wat hij later noemde zijn ‘wilderness years’ (de jaren tussen 1929 en 1939 dat hij geen zitting had in de Britse kabinetten) ontpopte hij zich ook tot een fanatieke metselaar. Samen met zijn jongste dochter Sarah metselde hij één van de muren rond de rosegarden van Clementine op hun buitenverblijf Chartwell.